Situering en onstaansgeschiedenis van de cursus niet-confessionele zedenleer

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
Situering en onstaansgeschiedenis van de cursus niet-confessionele zedenleer by Mind Map: Situering en onstaansgeschiedenis van de cursus niet-confessionele zedenleer

1. Historische schets

1.1. Voor het schoolpact

1.1.1. Belgische veranderingen naar schoolpact toe

1.1.1.1. 1831

1.1.1.1.1. Artikel 17

1.1.1.1.2. Artikel 19

1.1.1.1.3. Artikel 20

1.1.1.1.4. Artikel 21

1.1.1.2. 1842

1.1.1.2.1. Behandelde enkel lager onderwijs. Moraal en godsdienst vormden één vak dat verplicht werd en moest stempel van katholieke denken dragen. Priester mocht elk vak bijwonen en toezicht houden op alle schoolboeken. Ouders konden vrijstelling vragen van vak godsdienst maar aanvraag moest jaarlijks hernieuwd worden.

1.1.1.3. 1845

1.1.1.3.1. Strijd tussen katholieken en liberalen. (Klerikalen en anti-klerikalen)

1.1.1.4. 1850

1.1.1.4.1. Godsdienstonderricht wordt een verplicht vak in tien athenea en 50 middelbare scholen en dat mocht de staat oprichten. Priesters gaven het vak en waakten erover dat lln hun godsdienstplichten vervulden (bv waren ze wettelijk verplicht op zon- en feestdagen de mis te bewonen.) Elk boek in strijd met godsdienst werd geweerd. Vrijstelling kon aangevraagd worden vóór de eerste godsdienstles.

1.1.1.5. 1878

1.1.1.5.1. Verkiezingsoverwinning liberalen. In vrijzinnige kringen groeide droom over NCZ-vak. Gewonnen liberalen maakten onderwijs onder staatstoezicht. Liberaal Van Humbeeck werd minister van onderwijs. (Hopende op minder kerkelijke macht)

1.1.1.6. 1883

1.1.1.6.1. In Antwerpen voor het eerst een feest van de vrijzinnige jeugd (anti-communiefeest toen geheten

1.1.1.7. 1884

1.1.1.7.1. Eerste schoolstrijd gewonnen door katholieken. Een absolute meerderheid bij verkiezingen. In 1884 de nieuwe katholieke regering. Wetten van Van Humbeeck en het Miniserie van Openbaar Onderwijs werden meteen afgeschaft. Verantwoordelijkheid bleef sindsdien tot 1932 bij Ministerie van Binnenlandse Zaken. Nieuwe schoolwet waardoor lager onderwijs opnieuw in handen van gementen kwam, gemeenten konden zelf kizen over of godsdienst het al dan niet deel uitmaken van het schoolprogramma. Elke ouder kon kiezen of hun kind dit al dan niet volgde. Onderwijzers moesten geen officieel diploma meer hebben om in gemeentelijk onderwijs les te geven.

1.1.1.8. 1884-WOI

1.1.1.8.1. België bestuurd door volledig katholieke regering. Voor hen ideaal om eigen vrije net uit te bouwen en greep op openbare scholen te verstevigen. Geen grote veranderingen, eerder kleine aanpassingen voor meer verdraagzaamheid. Na WOI werd katholieke meerderheid verbroken. Coalitieregeringen van nationale eenheid kwamen tot stand en tegen hun zin werden ze gedwongen om een aantal toegevingen te doen.

1.1.1.9. 1885

1.1.1.9.1. Cursus godsdienst terug verplicht en onderdeel van lesrooster. Vrijstelling kon schriftelijk aangevraagd worden.

1.1.1.9.2. Minister Schollaert (katholiek) stelde in ministeriële omzendbrief dat lessen niet langer doordrongen mochten zijn van de godsdienstbeginselen, maar ook dat de leraar geen godsdienstbeginselen mocht aanvallen. Dit was een eerste poging om van het officieel onderwijs officieel neutraal onderwijs te maken en die min of meer door de katholieken aanvaard werd.

1.1.1.10. 1921-1924 J. Destrée (BWP)

1.1.1.10.1. 1921

1.1.1.10.2. 1924

1.1.1.11. Later...

1.1.1.11.1. Maatschappij seculariseerde en democratiseerde meer (enk. stemrecht voor mannen). Katholieken voerden hevige strijd tegen openbaar onderwijs. De openbare school werd nu meer dan ooit systematisch geassocieerd met het goddeloze, het liberalisme, het subversieve socialisme, en het communisme, het antipatriottisme, en het weerzinwekkende rationalisme en sectarisme van de vrijzinnige en maçonieke verenigingen

1.1.1.11.2. Voor het officieel onderwijs betekende dit niet dat de mentaliteit in het overwegend katholieke Vlaanderen veranderd was. De cursus moraal werd vaak stiefmoederlijk behandeld. Een behoorlijke organisatie van de cursus bestond niet. De leerkrachten moraal hadden geen specifieke opleiding genoten en bovendien werd geen rekening gehouden met hun filosofische overtuiging (zij konden dus ook katholiek zijn). m.a.w. van een niet-confessionele zedenleer was amper sprake!

1.1.1.11.3. In het basisonderwijs begon men nog steeds met een half uur godsdienst, gedurende 6 dagen per week. De leerlingen die een vrijstelling hadden, moesten in de studie gaan zitten. Dit was de regel in alle (gemeente)scholen, behalve in Antwerpen, waar in het stedelijk onderwijs geen godsdienst meer werd gegeven sedert de wet van 1879. Als gevolg van een conflict met de kerkelijke overheid had deze laatste besloten haar lesgevers terug te trekken. Ze hoopte dat de ouders hierdoor hun kinderen uit de stadsscholen zouden weghalen, maar zij vergiste zich.

1.1.1.11.4. Na WOII nam het aantal leerlingen in het openbaar onderwijs toe. De greep van de katholieken op mens en maatschappij verslapte en er traden ook steeds meer progressieve katholieken op de voorgrond. onderwijpolitiek stonden twee principes op de voorgrond: het bestaansrecht van het openbaar onderwijs en het neutraliteitsbeginsel.

1.1.1.12. 1948

1.1.1.12.1. In 1948 werd R. van Cauwelaert (door C.Huysmans, toenmalig minister van onderwijs) aangesteld als eerste inspecteur zedenleer (in het middelbaar en normaalonderwijs). Samen met het pas opgerichte (1951) Humanistisch Verbond slaagde hij erin een specifieke, niet-confessionele inhoud aan het vak NCZ te geven. In 1952 richtte Van Cauwelaert de Werkgemeenschap Leraren Ethiek op (WLE)

1.1.1.13. 1954

1.1.1.13.1. In 1954 flakkerde de schoolstrijd weer op. De katholieke partij verloor de verkiezingen in 1954, en de socialisten vormden onder Achiel Van Acker een regering samen met de liberalen. De bijsturingen, onder andere met minder subsidies voor het katholiek onderwijs, die deze regering doorvoerde, vormde een ideale voedingsbodem voor een nieuwe schoolstrijd. De vrede werd slechts hersteld door het schoolpact van 20 november 1958. Dit is een akkoord dat afgesloten werd door de drie politieke partijen, de Christelijke Volkspartij, de Belgische Socialistische Partij en de Liberale partij, met het doel bij te dragen tot de schoolvrede.

1.2. Het schoolpact

1.2.1. Inhoud

1.2.1.1. Basis voor wet van mei 1959. Lang een van de belangrijkste onderwijswetten van ons land.

1.2.1.2. Vrije schoolkeuze

1.2.1.2.1. De vrije schoolkeuze werd geoperationaliseerd (scholen met een verschillend karakter moesten binnen een redelijk bereik te vinden zijn; eventueel kon gratis schoolvervoer georganiseerd worden);

1.2.1.3. Democratisering van het onderwijs

1.2.1.3.1. Er werd gestreefd naar democratisering van het onderwijs (kosteloos onderwijs t.e.m. het secundair onderwijs; iedere vorm van schoolgeld was verboden);

1.2.1.4. Subsidieregeling

1.2.1.4.1. Er werd een subsidieregeling uitgewerkt (weddentoelagen, werkingstoelagen, uitrustingstoelagen, gebouwentoelagen, ...)

1.2.1.5. Indeling

1.2.1.5.1. Inrichtende macht

1.2.1.5.2. Financiering

1.2.1.5.3. Karakter

1.2.1.6. Vrijheid

1.2.1.6.1. Wet garandeerde de vrijheid van inrichting van studies en van pedagogische methoden

1.2.2. Inhoud betreffende levensbeschouwelijke vakken

1.2.2.1. NCZ werd nu ook opgenomen in het programma van het basisonderwijs. De wettelijke gelijkstelling van de cursus godsdienst en de cursus NCZ berust op de bepalingen van mei 1959.

1.2.3. Art. 8

1.2.3.1. In de officiële inrichtingen alsmede in de pluralistische inrichtingen voor lager en secundair onderwijs met volledig leerplan, omvat het lesrooster per week ten minste twee uren godsdienst of ncz. Onder godsdienst wordt verstaan het onderricht in de katholieke, protestantse, Israëlische, anglicaanse (islamitische en Grieks-orthodoxe zijn later bijgekomen) godsdienst. Bij de eerste inschrijving van het kind is het gezinshoofd, de voogd of degene aan wiens hoede het kind is toevertrouwd, verplicht een verklaring te ondertekenen over de keuze tussen NCZ en godsdienst. Dit model is bij K.B. vastgelegd.

1.2.3.1.1. KB

1.2.4. Art. 8 bis

1.2.4.1. 1970 maakt wijziging: keuze komt toe aan de leerling die, bij het begin van het schooljaar, de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

1.2.4.1.1. 1° de verplichting van de cursussen godsdienst en NCZ te organiseren in het officieel onderwijs. Van zodra een vraag bestaat voor één van de godsdiensten of NCZ, dan moet deze cursus opgericht worden. (min. 2 uren per week, max. 3) In het vrij gesubsidieerd onderwijs geldt de verplichting niet.

1.2.4.1.2. 2° de keuzeplicht van de ouders (of voogd). Godsdienst en NCZ maken deel uit van het lessenrooster. De ouders moeten bij ondergetekende verklaring hun keuze bepalen (indien het kind bij aanvang van het schooljaar geen 18 jaar is)

1.2.4.1.3. 3° het schoolhoofd moet het keuzeformulier bezorgen en mag geen druk uitoefenen op de keuze van de ouders

1.3. Na het schoolpact

1.3.1. Permanente Schoolpactcommissie

1.3.1.1. Heeft meer dan formele keuzevrijheid van onderwijs gewaarborgd. Heeft ook ingelaten met omschrijving van karakter van onderwijs en het onderscheid gemaakt tussen neutrale en niet-neutrale scholen

1.3.2. Neutraliteteit

1.3.2.1. 'Neutraal' zijn die scholen die alle filosofische of religieuze opvattingen van de ouders eerbiedigen en waarvan ten minste 2/3 (later 3/4; en nu telt deze verplichting niet meer!) van het onderwijzend personeel houder is van een officieel / neutraal diploma.

1.3.2.2. Naast deze formele omschrijving van 'neutraliteit' wordt een inhoudelijke omschrijving gegeven: neutraliteit verplicht tot volstrekte objectiviteit bij de uiteenzetting der feiten en dwingt tot voortdurende intellectuele eerlijkheid in dienst van de waarheid. De leerlingen moeten geleidelijk tot persoonlijk onderzoek worden opgeleid en ertoe worden aangespoord, om dankzij de ontwikkeling van hun kritisch inzicht, vorderingen te maken op de weg naar beredeneerde en objectieve kennis. De leraar mag geen politieke of wijsgerige problemen uit de weg gaan omwille van die neutraliteit, maar hij moet er wel op letten dat hij door zijn onderwijs niemand kwetst en zich onthouden van partij kiezen in actuele vraagstukken van ideologische aard. Eerbied voor de mening van anderen is een fundamenteel gegeven.

1.3.3. Resolutie 1963

1.3.3.1. In de resolutie van 8 mei 1963 wordt een omschrijving gegeven van de cursus NCZ, omschrijving die tot op heden richtinggevend bleef voor de inhoud en het karakter van de cursus; "De cursus in de NCZ is een in sociologische, psychologische en historische verantwoording wortelende leidraad der morele menselijke handelingen. Hij doet geen beroep op verklaringen van godsdienstige aard en is evenmin bedoeld als de verdediging van een specifieke vrijzinnige leer. Op bepaalde punten nochtans en wanneer de omstandigheden hem daartoe nopen, moet de titularis, op bedachtzame wijze, getuigenis kunnen afleggen van zijn persoonlijke morele overtuiging en de grondslagen ervan".

1.3.4. NCZ

1.3.4.1. Het is dus duidelijk dat in deze omschrijving NCZ niet gezien wordt als de specifieke verdediging van een specifieke wijsgerige leer; NCZ is bijgevolg een residuaire levensbeschouwelijke cursus voor al wie zijn kinderen geen confessionele cursus wenst te laten volgen!

1.3.5. Problemen in jaren '80

1.3.5.1. Saskia Sluys

1.3.5.1.1. Vader Sluys kan zich niet akkoord verklaren met de cursus protestantse godsdienst (andere strekking). Omdat de wet voorschrijft dat het volgen van een levensbeschouwelijke cursus verplicht is, besluit hij zijn dochter Saskia NCZ te laten volgen. Maar ook hier had hij bezwaren "omdat deze cursus in de school van zijn dochter meer en meer aan het uitgroeien was tot een anti- godsdienst-cursus". Hij vraagt vrijstelling aan. In zijn arrest van 14 mei 1985 stelt de Raad van State Sluys in het gelijk op grond van het feit dat in sommige leerplannen NCZ de term 'vrijzinnig' gebruikt wordt. De cursus NCZ zou dus niet enkel een niet-confessionele cursus zijn maar wel degelijk bedoeld zijn 'als de verdediging van een specifieke wijsgerige leer'. En dit is strijd met de resolutie van 1963, zo beweert de Raad van State. Concreet hebben het arrest en de reactie van de minister daarop (in een rondschrijven) tot gevolg, dat er een enorme stijging is van het aantal vrijstellingen. Een tweede gevolg is de herbewerking van de inleiding van sommige leerplannen NCZ. Het woord 'vrijzinnig' wordt angstvallig geweerd. In principe kunnen nu geen vrijstellingen meer worden verleend. De rust keert terug, de zedenleer was terug 'neutraal'.

1.3.5.2. Rein en Thor Vermeersch (getuigen van Jehova)

1.3.5.2.1. De vader vraagt vrijstelling van keuze- verplichting op grond van het feit dat onder de geboden keuze mogelijkheden niets overeenstemt met zijn filosofische overtuiging. De Raad van State stelt in zijn arrest van 10/07/1990 Vermeersch in het gelijk. Dit keer niet op basis van de niet-neutraliteit, maar op basis van de strijdigheid met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, dat aan ouders het recht geeft om de opvoeding en meer in het bijzonder de levensbeschouwelijke of godsdienstige opvoeding te kiezen die zij wensen. Bijgevolg kwam er een nieuwe omzendbrief van minister Coens, waarbij de mogelijkheid tot vrijstelling van keuzeverplichting geboden werd aan de ouders (of aan de jongeren vanaf 18 jaar,) "die op basis van hun eigen religieuze of morele overtuiging, fundamentele bezwaren hebben tegen het volgen van één van de aangeboden cursussen godsdienst of NCZ."

2. Schema

2.1. Fase 1

2.2. Fase 2

2.2.1. Deel 1

2.2.2. Deel 2

2.3. Fase 3

2.4. Fase 4

2.5. Fase 5

2.6. Fase 6

3. Besluit